Laatste aanpassing (maandag 31 mei 2010)
Jaarlijks ontmoeten de Oost-Vlaamse politiek-sociaal-economische beleidsmakers en het bedrijfsleven elkaar op het Oost-Vlaams Economisch Forum. Deze tiende editie van het Forum stond in het teken van de bedrijfsopvolging en –overdracht, een fenomeen waarmee elke bedrijfsleider vroeg of laat te maken heeft.
Het Oost-Vlaams Economisch Forum is een organisatie van het Huis van de economie: de Dienst Economie van de provincie Oost-Vlaanderen, de Economische Raad voor Oost-Vlaanderen en de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Vlaanderen. Dit jaar vond het Forum plaats op 23 juni. De grote opkomst gaf duidelijk aan dat het gekozen thema heel erg actueel is.

Gedeputeerde Jozef Dauwe, bevoegd voor onder meer Middenstand, KMO & EROV en voorzitter van de Economische Raad voor Oost-Vlaanderen, haakte onmiddellijk in op het thema van dit tiende Oost-Vlaams Economisch Forum. “Het oudste familiebedrijf ter wereld is nu aan zijn 47ste generatie toe”, wist de gedeputeerde. “Het bedrijf is Japans, heet Houshi Onsen en werd gesticht in 718. Het is dus bijna duizenddriehonderd jaar oud. Blijkt dat de voornaamste drijfveer om het in de familie te houden de ongeschreven wet van voorouders en erfgoed is”.
“Het thema bedrijfsopvolging en bedrijfsoverdracht is breder dan familiale opvolging. Al spreekt dit laatste, onder meer door de emotionele geladenheid, meer tot de verbeelding en is de problematiek daardoor wellicht complexer”, merkte Jozef Dauwe op. Hij wees op het feit dat men op alle bestuurlijke niveaus sinds tientallen jaren begaan is met deze materie en door tal van initiatieven het proces van bedrijfsoverdracht faciliteert. De gedeputeerde haalde de Small Business Act (2008) van de Europese Commissie (EC) aan, “die in beginsel aan de aan de lidstaten vraagt om een klimaat te scheppen waarin ondernemers en familiebedrijven kunnen floreren.”
Volgens de Lissabon-strategie kan Europa zich niet veroorloven om levensvatbare bedrijven te verliezen in de overdrachtfase.
Ook Vlaanderen nam maatregelen om knelpunten bij overdracht weg te werken, zoals de waarborglening van de Participatiemaatschappij Vlaanderen. “Fiscaal gezien betekende de verlaging van de schenking- en successierechten in Vlaanderen een belangrijke stap voorwaarts”, stipte gedeputeerde Jozef Dauwe aan.
In het Strategisch project 2004-2012 van de Provincie Oost-Vlaanderen is één van de 18 acties de continuïteitsproblematiek van (familiale) KMO’s aanpakken. “Tevens werd een jaarlijks rapport over de KMO en de zelfstandige onderneming in Oost-Vlaanderen aangekondigd”, voegde gedeputeerde Jozef Dauwe hieraan toe. “Het verheugt me dat ik vandaag het tweede rapport ‘KMO en zelfstandig ondernemen in Oost-Vlaanderen’ kan voorstellen.”
Het eerste deel van het rapport schetst met behulp van kwantitatieve analyses een algemeen beeld van de Oost-Vlaamse KMO. Het tweede deel is gewijd aan het thema bedrijfsopvolging en -overdracht. Daarin zijn eveneens praktijkgetuigenissen opgenomen.
Naast dit jaarlijks studiewerk is de EROV gestart met een actieprogramma. Begin dit jaar lanceerde de EROV het project BEBEO; begeleiding van bedrijfsoverdracht in Oost-Vlaanderen. “Sinds maart 2009 loopt het project in een door de Vlaamse en provinciale overheid gesteund EFRO-project (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling)”, legde Jozef Dauwe uit. “Het project verloopt in twee fasen: eerst een sensibiliseringsfase, gevolgd door een concrete begeleidingsfase van een groep van een 15-tal deelnemers gedurende een half jaar. Er is eveneens individuele begeleiding voorzien in het bedrijf zelf door projectverantwoordelijke Karolien Meersman en met steun van een expertengroep. We werken vanzelfsprekend samen met instellingen die in de provincie Oost-Vlaanderen op dit vlak reeds actief zijn, zoals Voka en UNIZO.” Gedeputeerde Jozef Dauwe preciseerde dat BEBEO zich in de aanvangsfase vooral zal richten tot de overlater. “Het is wel de bedoeling om de problematiek van de ondernemer hieraan te koppelen. Met de Overnamemarkt van UNIZO zullen we nu reeds samenwerken,” aldus nog Jozef Dauwe.

Gedeputeerde Marc De Buck, bevoegd voor Economie, Ruimtelijke Ordening en Externe Betrekkingen en voorzitter van de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Vlaanderen (POM Oost-Vlaanderen), sloot het druk bijgewoonde Economisch Forum af. Hij stond stil bij de werking van de provinciale Dienst Economie en bij de belangrijkste initiatieven van de Economische Raad voor Oost-Vlaanderen (EROV) en de POM Oost-Vlaanderen. Eén van de belangrijkste opdrachten van de provinciale beleidsdienst is de onderbouwing en de actualisering van het economisch beleid. “Het is belangrijk om de vinger aan de pols te houden”, aldus gedeputeerde De Buck, waarbij hij verwees naar de jaarlijkse Sociaal-economische situatieschets van Oost-Vlaanderen, waarvan de tiende editie recent werd voorgesteld.
Een eerste belangrijk speerpunt in het economisch beleid dat door de POM wordt uitgevoerd is om Oost-Vlaanderen als een logistieke topregio op de kaart te zetten. Dit initiatief bevindt zich nu in de implementatiefase. Een tweede belangrijk speerpunt is Oost-Vlaanderen uitbouwen tot een kennisregio. Ook dit gebeurt via de POM. Een belangrijk initiatief hierin is de structurele samenwerking in het kader van Gent Big in Creativity in partnership met UGent en de stad Gent. Ook de investering in incubatiecentra zoals iCUBES (met het IBBT, het Instituut voor Breedbandtechnologie) en de medewerking aan Ghent Bio-Energy Valley staan symbool voor de inspanningen om Gent en Oost-Vlaanderen als innovatieve regio op de kaart te zetten.
Derde belangrijk speerpunt is de internationalisering. “Hoewel export voor de Vlaamse economie van levensbelang is, blijft inzonderheid de KMO – en wij zijn een regio van KMO’s – achterop hinken”, constateerde gedeputeerde Marc De Buck. “We zullen dus in de komende periode de krachten bundelen om de ervaring waarover we binnen onze dienst internationale samenwerking beschikken samen met de POM en de EROV en in synergie met andere actoren, alsook in partnership met Flanders Investment & Trade (FIT) en de federale overheid om onze KMO’s te begeleiden in dit noodzakelijk internationaliseringsproces.”

Nieuw in het rapport KMO en zelfstandig ondernemen in Oost-Vlaanderen, editie 2009, is de opname van 10 financiële ratio's die inzicht verschaffen in de financiële gezondheid van de Oost-Vlaamse KMO's. Jos Saerens, beleidsmedewerker studiedienst Huis van de economie, gaf tekst en uitleg bij de kwantitatieve analyse en nam onder meer de liquiditeit, solvabiliteit en rendabiliteit van de Oost-Vlaamse ondernemingen onder de loep. Ook de nettogroei en de turbulentie kwamen aan bod.
Over de periode 2002-2007 kende de provincie een nettogroei van het aantal KMO’s – het resultaat van het aantal oprichtingen en het aantal stopzettingen - van slechts 1,2 %. Het aantal oprichtingen steeg tot eind 2007. In 2008 is voor het eerst een daling van het aantal oprichtingen te noteren. De omslag in de conjunctuur vanaf de zomer 2007 is debet aan deze evolutie. De nettogroei kan toenemen door zowel het ondernemerschap te stimuleren, als door het aantal stopzettingen te beperken. Het belang van dit laatste mogen we niet onderschatten. Slechts 13% van de stopzettingen is namelijk het gevolg van een faling; 87% van de ondernemingen stopt om andere redenen zoals ziekte, pensionering of het gebrek aan een overnemer.
Het stimuleren van een gezonde en tijdige bedrijfsoverdracht is dus zeer aan te bevelen, niet alleen om het netto aantal ondernemingen op te krikken, maar tevens om te vermijden dat kennis verloren gaat en gezonde bedrijven stoppen met hun bedrijvigheid. Daarom is het tweede deel van het rapport KMO en zelfstandig ondernemen volledig gewijd aan dit prangende thema. Karolien Meersman, bedrijfskundig consulent bevoegd voor het BEBEO-project, bracht de knelpunten naar voor en benadrukte daarbij de noodzaak tot het tijdig voorbereiden van de bedrijfsoverdracht en de bijhorende sensibilisering van de ondernemers.
In 2003 stelde het Directoraat Generaal Ondernemingen (Europese Unie) dat als we de Lissabon-doelstellingen willen halen, we het ons niet kunnen veroorloven om levensvatbare ondernemingen in de overdrachtfase te verliezen. “Ik onderstreep het belang van de woorden levensvatbare onderneming”, aldus Karolien Meersman. “Het is uiteraard niet zo dat elk bedrijf moet worden overgedragen; ook stopzetting en transformatie van bedrijven is broodnodig voor een gezonde economie.”

Drie jaar later formuleerde de Europese Commissie een zestal aanbevelingen, omdat er volgens haar tot dan toe onvoldoende vooruitgang is geboekt. Karolien Meersman haalt er volgende aanbevelingen uit. Volgens de Europese Commissie mislukken een groot deel van de bedrijfsoverdrachten, omdat men deze niet tijdig voorbereidt. De EC roept dan ook op tot bewustmakingscampagnes. Ook begeleiding door een neutrale bedrijfskundige partner moet men aanmoedigen, net zoals het aankopen van een bestaande onderneming. “Omdat overgedragen ondernemingen meer kans op succes hebben en meer werkgelegenheid creëren dan startende bedrijven”, legt Karolien Meersman uit. Het recent Europees initiatief is de Small Business Act. Het eerste beginsel van deze Act vraagt expliciet aan de lidstaten om de begeleiding en ondersteuning te voorzien voor bedrijfsoverdracht.
De spreker wees er nog op dat men nog teveel op schattingen moet voortbouwen: “te weinig cijfermateriaal is een serieus knelpunt in de hele problematiek. Op Europees niveau schat men dat jaarlijks meer dan 600.000 KMO’s in aanmerking komen voor overdracht. Daarbij zijn meer dan 2,4 miljoen banen betrokken. Als we het gehanteerde schattingspercentage van 3% op Oost-Vlaanderen toepassen, tellen we jaarlijks een duizendtal KMO’s die in aanmerking komen. Dit aantal laat de zelfstandige ondernemers buiten beschouwing”, rekent Karolien Meersman voor. “Sommige bronnen gaan er echter van uit dat dertig procent van deze overdrachten mislukken, wegens een slechte voorbereiding.”
Onderzoekers zijn het alvast over het volgende eens: er komen steeds meer overdrachten de komende jaren. Een belangrijke oorzaak is demografisch: de generatie van de babyboomers gaan binnenkort op pensioen. In verhouding verliest de familiale opvolging aan belang. In de gezinnen zijn er minder kinderen aanwezig en er zijn eveneens heel wat andere toekomstmogelijkheden naast opvolging. Bij een familiale opvolging overleeft 30% de tweede generatie en amper 14% geraakt voorbij de derde generatie.
“Verder speelt ook de evolutie in het ondernemerschap een grote rol. Bedrijven worden meer en meer opgericht als lucratieve activiteit op middellange termijn en niet zozeer als een levenslange familiale aangelegenheid”, legt Karolien Meersman uit. “Ondernemers dragen hun zaak ook meer en meer om persoonlijke redenen over, lang voor hun pensionering.”
In het rapport is een apart hoofdstuk gewijd aan het familiebedrijf. Volgens Karolien Meersman om twee redenen. De eerste is hun aandeel: 70% van alle ondernemingen in België zijn familiebedrijven en ze staan samen in voor 55% van het bruto binnenlands product. Een tweede reden is de specifieke opvolgingsproblematiek in de familiebedrijven.
Heel wat factoren hebben een invloed op het al dan niet slagen van een familiale opvolging of een overdracht. Karolien Meersman haalde de meest relevante aan. “Gebrekkige en laattijdige voorbereiding is een constante in het verhaal, net als het gebrek aan extern advies. Ook de rol, de houding, mentaliteit en capaciteiten van overdrager en opvolger zijn van cruciaal belang.”
Uit recent onderzoek blijkt verder dat 56% van de familiale ondernemingen in Vlaanderen niet met de overdrachtsproblematiek bezig is en 57% van de overdragers weet nog niet wie hen zal opvolgen.
Opdat een overdracht of opvolging succesvol zou kunnen verlopen hangt eveneens af van een reeks voorwaarden. De voornaamste zijn: willen is vaak gelijk aan kunnen, tijdige en grondige voorbereiding (ook emotioneel), professioneel advies, bereidheid tot loslaten door de overdrager, bekwame en gemotiveerde opvolger, professionele bedrijfsvoering, correcte regeling eigendomsverdeling. “Waarbij ik de aandacht wil vestigen op de eerste: willen is vaak gelijk aan kunnen,” benadrukte Karolien Meersman.
Voor wat betreft de fiscale, juridische en financiële knelpunten heeft Vlaanderen uiteraard al een grote stap vooruit gezet, met onder meer het Vlaams Successiedecreet, meende Karolien Meersman. Hoewel de waarborglening van de Participatiemaatschappij Vlaanderen en op federaal niveau de overdrachtsleningen van het Participatiefonds worden in Europa als best practice vermeld worden, vroeg Karolien Meersman zich af of deze maatregelen wel voldoende bekend zijn bij de doelgroep.
“Sensibilisering is dus belangrijk”, beklemtoonde Karolien Meersman. “Vanuit EROV gaan we, in het kader van de 18 acties voor de Oost-Vlaamse economie en met de steun van de Vlaamse Gemeenschap en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling verder werken aan de sensibilisering. Alvast 2 concrete datums: op 8 oktober openen we de sensibiliseringsfase met een seminarie waarin we de nieuwe klemtonen van de code Buysse voorstellen en aan de deelnemers de sleutel tot continuïteit en duurzaamheid in het familiebedrijf aanreiken. Op 4 november hebben we het over de waardebepaling als spiegel voor een leven hard werken en over de planning van de nalatenschap.”
Meer info over deze twee activiteiten | inschrijven )
Tijdens het daaropvolgend paneldebat getuigden drie bedrijfsleiders over het overdrachtsproces binnen hun eigen onderneming . Bijgestaan door drie experten ging het panel dieper in op het thema bedrijfsopvolging en –overdracht in Oost-Vlaanderen, waarbij de klemtoon kwam te liggen op de familiale opvolging. Guy Tegenbos, journalist bij De Standaard leidde het debat in goede banen. Drie vragen stonden centraal: wat is de basishouding die men dient aan te nemen bij overdracht; hoe pakt men een overdracht aan en bij welke externe partijen kan men terecht voor advies en begeleiding?

Kern van de zaak is uiteraard om tijdig met de voorbereiding van de overdracht te starten. Etienne Floré, bedrijfsleider van ID'Flor (Lochristi), startte reeds op 45-jarige leeftijd met de voorbereiding voor een mogelijke overdracht.
Prof. dr. Johan Lambrecht, directeur Studiecentrum voor Ondernemerschap (SVO), Ehsal-K.U.Brussel, onderstreepte daarbij het belang van goede communicatie, om als het ware een Babylonische spraakverwarring te vermijden, waarbij de overlater en kandidaat-overnemer een gesprek over bedrijfsopvolging en –overdracht niet aanvatten en daardoor beiden verkeerdelijk de indruk krijgen van desinteresse.
Belangrijk is in de eerste plaats het verzekeren van de continuïteit van de onderneming. Binnen Filliers Graanstokerij (Bachte-Maria-Leerne) zag men dit 10 jaar geleden reeds in. Toen legde men een aantal bepalingen omtrent de opvolging en het bestuur van het bedrijf vast in een zogenaamd bedrijfsconvenant. De centrale gedachte daarin is om “niet de eigen agenda maar de agenda van het bedrijf voorop te stellen”. Bij crisismomenten, zoals bij het recente overlijden van Jan Filliers, kon men teruggrijpen naar dat convenant, wat een vlotte verderzetting van het bedrijf verzekerde. Bernard Filliers, gedelegeerd bestuurder Filliers Graanstokerij nv & Albert Kint Fine Wines nv, raadde dan ook aan om dergelijk convenant tijdig te laten opmaken.
Prof. dr. Jan Bael (UGent), notaris te Gent, trad hem daarin bij: “Je moet niet wachten tot de pensioenleeftijd om de nodige voorbereidingen te treffen; je kan er best vroeger aan beginnen. De casus van Filliers is daarvan een goed voorbeeld. Je moet eigenlijk al bij wijze van spreken denken aan overdracht op het moment dat je de zaak opstart.”
Ondernemers moeten dus vooral gesensibiliseerd worden om er tijdig aan te beginnen. Daarin speelt een organisatie zoals de EROV een belangrijke rol, want er bestaat niet zoiets als een sjabloon voor een perfecte overdracht; het is steeds maatwerk. Ondernemers die voor deze taak staan kunnen beroep doen op een aantal ervaringsdeskundigen en experten die hen daarin kunnen begeleiden, waaronder accountants, notarissen e.d. Bij de overdracht van Transport Claeys & Zonen (Zele) bijvoorbeeld hebben beide partijen, de overlater en de overnemers elk een vertrouwenspersoon onder de arm genomen, legde zaakvoerder Claire Claeys uit.
Etienne Floré werkte voor de overdracht van zijn bedrijf dan weer via de Nederlandse Stichting Administratiekantoor (STAK). Volgens prof. dr. Bael een goede manier om versnipperend aandeelhouderschap aan te vatten (er bestaat ondertussen een Belgische versie van de STAK).
Een overdracht is ook steeds emotioneel geladen, voornamelijk bij een familiale overdracht. De overlater moet daarbij afstand nemen van zijn bedrijf en op zoek gaan naar een nieuwe identiteit. “Familiale opvolging is dan ook een proces van evolutie en geen revolutie,” aldus Prof. Lambrecht. Hij identificeerde daarbij 4 soorten ondernemers. Er is ten eerste de monarch, die doorgaat tot aan de dood. Ten tweede zijn er de generaals, die wel afscheid nemen van het bedrijf, maar steeds op de loer liggen om terug te keren. Een derde groep bestaat uit de ambassadeurs, die de overdracht goed regelen en daarbij een andere rol aannemen binnen het bedrijf. Ten slotte zijn er nog de gouverneurs, die alles zeer goed regelen, maar daarna elke band doorknippen om zich vervolgens ergens anders op toe te leggen.
Prof. Lambrecht gaf ter conclusie nog een aantal slotbedenkingen mee. Een familiale opvolging is een proces van verstandig ruziën, waarbij men tijdig aan overdracht moet denken via het opstellen van bijvoorbeeld een convenant. Het is daarbij aangewezen om één centrale vertrouwenspersoon aan te stellen. Daarbij moet men tevens indachtig zijn om zowel de macht, de leiding als tevens de kennis systematisch over te dragen en om de opvolger de nodige vrijheid te geven, waarbij het dan soms spreekwoordelijk nodig is om ‘de familieboom te snoeien’.

“Meestal agenderen we een thema dat wijst op de dynamiek van onze provincie”, aldus André Denys, gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. “Vandaag halen we de loftrompet niet boven. We zoeken naar remedies voor een pijnpunt binnen het economisch reilen en zeilen van Vlaanderen en onze provincie, namelijk de opvolging en overdracht binnen en van vele bedrijven.”
Onze populatie aan ondernemers kampt met een vergrijzingsgolf en de instroom aan nieuwe ondernemers is ondermaats, constateerde de gouverneur. Als er niets verandert, dan wordt binnen de tien jaar onze economie en bijgevolg onze welvaart bedreigd.
“Er is ook een meer onmiddellijk gevaar”, waarschuwde de gouverneur, “namelijk dat oudere familiale bedrijfsleiders geen opvolging hebben en dat de bedrijfsactiviteit gewoon stopt.”
“Het is daarom een goede zaak dat de gedeputeerden De Buck en Dauwe in hun strategisch plan voor de Oost-Vlaamse economie een actiepunt hebben gemaakt van de thematiek van bedrijfsopvolging en -overdracht.”
Onze Vlaamse welvaart is bovendien geen evidentie, waarschuwde André Denys. “De jongeren van vandaag weten te weinig dat het ooit anders was in Vlaanderen.” Hij verwees naar de tentoonstelling Vlamigrant – een samentrekking van Vlaming en emigrant – te Ronse die schetst hoe de arme Vlaming in de negentiende eeuw om den brode emigreerde naar het rijke Wallonië of de grote plas overstak naar Amerika of Canada. “Het rijke Vlaanderen kende pas een start vanaf de zestiger jaren in de vorige eeuw. En dat is niet lang geleden.” Toen kende Vlaanderen een opstoot van ondernemingsgeest. Die moeten we terugwinnen, vond de gouverneur.
De gouverneur benadrukte dat het afzwakken van onze ondernemerscultuur een structureel probleem is en een attitudewijziging vraagt. We moeten daarom de huidige inspanningen op alle niveaus opdrijven. De wil om die attitudewijziging te realiseren moet breed maatschappelijk worden gedragen.
Het onderwijs heeft daarin een cruciale rol, aldus nog de gouverneur, die zich afvroeg waarom men bijvoorbeeld het opmaken van een businessplan niet in de eindtermen van het middelbaar onderwijs zou kunnen opnemen.
De genodigden werden uitgenodigd tot een afsluitend netwerkmoment in de zonovergoten binnentuin van het Pand in het hartje van Gent. De aanwezigen kregen daarbij de gelegenheid om te proeven van de provincie Oost-Vlaanderen, via de talrijke streekproducten die ze te bieden heeft.
Het rapport ‘KMO en zelfstandig ondernemen in Oost-Vlaanderen’ kan je hier downloaden.